Bed

zondag, oktober 14, 2012 0 0

Het heeft even geduurd, maar Luc kan nu uit zijn bedje klimmen. Lina was daar met 2,5 jaar al aan toe. Zij heeft iets in haar hoofd en dan moet het ook meteen. Dat herken ik. Dus als zij eruit wilde met haar kleine lichaampje, wierp ze zich er overheen, gevolgd door een brul, als ze weer eens op haar hoofd terechtkwam. In deze hoogtijdagen duimde ik elke keer dat ze bij het kinderdagverblijf de politie niet zouden bellen. Mijn meisje kreeg er elke dag een beurze plek bij.

Zo niet mijn mannetje, hij heeft gewoon een jaar zijn tactiek uitgedokterd. Heel bedachtzaam laat hij zich langs de zijkant van zijn bedje zakken. Met een zachte landing komt hij op de grond. Een nieuw tijdperk is aangebroken. Het moment voor een groter bed.

Maar Harm vindt het zielig om hem uit zijn kleine vertrouwde haven weg te rukken en hem in een eenpersoonsbed te leggen. Bammer. Ik heb al een aantal hele gave bedden op het oog. Moet ik dan voor een jaartje ook nog een peuterbed kopen? Wacht maar, ik heb het peuterbedje van Lina nog en wat steigerhout. Het hele weekend ben ik er druk mee. Het hielp ook niet echt dat de boormachine leeg was en aan de oplader maar 1 schroef per keer erdoorheen drukte. Ik hou niet van wachten.

Harm keek het met lede ogen aan. Voorzichtig begon hij dat ik beter de cirkelzaag had kunnen gebruiken in plaats van de decoupeerzaag. Ik kijk hem aan en snel sust hij: ‘het is jouw projectje, doe het maar op jouw manier’. Dat dacht ik ook, ik ben allang blij dat ik mijn vingers nog heb. Ik heb het niet zo op zagen. Ook niet zo op kleine jongetjes die heel graag komen helpen, terwijl ik in een onmogelijke houding de schroeven door het kneiterharde hout probeer te krijgen. Ik gebruik waarschijnlijk ook niet de goede schroeven, maar no way dat ik het vraag. Straks moet ik nog naar de winkel en dat bed  moet af. NU!

Ik gooi het matras van zolder naar beneden en zoek me rot naar de lattenbodem. Ineens begint me wat te dagen. Wij zijn altijd nogal creatief met materialen gebruiken waar ze niet voor bedoeld zijn. Dus van deze lattenbodem hebben we een tuinhekje gemaakt…

Ik check of Ikea open is. Uiteraard. Maar kan het niet gewoon een dagje wachten? Kan Harm het morgen uit zijn werk ophalen. Ik kijk Harm verontschuldigend aan, ik moet! Hij snapt het, ik kan het anders niet loslaten. Dus rij ik na de lunch nietsvermoedend naar de Ikea. Zonnetje erbij, cd-tje aan, lekker hoor. Ik parkeer hem bij de woonboulevard. Ja, tuurlijk heb ik gecheckt of die vandaag open zijn. Duh. Ik moet natuurlijk ook een dekbedovertrekset en leuke kussens voor op het bedje scoren.

De hoes die ik gaaf vind, is uitverkocht, maar ik heb wel een gaaf kussentje en draadmandje (doel nog onbekend) gevonden. Op naar de Ikea. Ik twijfel of ik mijn auto hier zal laten staan. Dan moet ik wel een stukje lopen. Daar hou ik niet zo van. Blijkbaar houdt niemand daarvan, we rijden met z’n allen rondjes in de parkeergarage. Agressief word ik ervan, al die mensen die de weg blokkeren. Denk toch eens aan een ander schreeuw ik in mijn hoofd. Elke keer ben ik net te laat. Dan maar voor de Ikea, buiten. Ook daar is het een gedrang. Bah. Boos draai ik terug de woonboulevard op en vind een plekje verder weg als waar ik eerst stond. Waarom luisterde ik ook niet gewoon naar mijn gevoel?

Ik laat me er niet onder krijgen en loop ontspannen naar de ingang. Met honderden anderen. In rijen van 3. WTF? Is het gratis vandaag? Ik ga nog sneller lopen. Ik hou van gratis. Binnen aangekomen probeer ik te bedenken hoe ik de banken en andere meuk die ik nu niet nodig heb kan omzeilen. Ik zie gewoon niks en laat me meesleuren door de meute. Ik vind heus nog wel een manier om jullie af te snijden.

Ik neem een sprintje, spring over banken en duik richting de kinderafdeling. Een hoeslaken en onderlaken, check. Lattenbodem vak 20, stelling 24. Dat is de volgende missie. Op mijn weg daarnaartoe blijft er nog een piek in de vorm van een ster, cadeaupapier, lint, opbergbakjes en een (sint)cadeautje voor Lina aan mijn handen plakken. Ook neem ik hier een dekbedset mee voor the time being. Ik sta bij stelling 20, vak 24 en zie spiegels liggen. Dan maar stelling 24 en vak 20 proberen. Banken in platte pakketten kijken me aan. Tussen de stellingen door zie ik gekleurde plastic rommel. Daar moet ik denk ik zijn. Ik twijfel of ik ertussen door zal kruipen. Ik zie mezelf al blijven haken, mijn jas kapotscheuren en dan een uur lang twijfelen of ik iemand moet roepen. Omlopen dan maar. En ja hoor, daar liggen stapels opgerolde plankjes. Goede maat pakken en missie geslaagd!

Zal ik nog kijken of ze minischroefjes hebben voor het bedje? Die liggen altijd bij de rommelhoek. Ik worstel me een weg ernaartoe en gebruik mijn lattenbodem als schild. Achterin geen bak te bekennen. Ik kijk bij de balie om de hoek, ik zag toch net iemand weglopen. Er hangt een fietsbel (geen gein) en ik bel eraan. De jongen vertelt dat deze onderdelen nu bij de klantenservice liggen, om de hoek bij de kassa.

Iedereen lijkt wel naar de kassa’s te rennen, het is dringen voor een plekje. Ik blijk een scankassa gekozen te hebben. Bah, ik wil gewoon mijn spullen op de band leggen, dat een meisje ze scant en ik ze op mijn gemak kan inpakken. Nu probeer ik zelf te scannen, terwijl mijn rol cadeaupapier wegrolt. Met een rij van 30 mensen achter me. Hoe ontspannen is dat? Ik krijg de tip van een ongeduldige klant dat ik hem verder weg moet houden. Als ik klaar ben met scannen en heb gepind, staat de ongeduldige klant al met haar spullen op ‘mijn’ plateau. Hallo, je hoort nog achter de gele lijn te staan, brandt er op mijn lippen. Snel stop ik mijn spullen in de tas. Vanuit mijn ooghoek zie ik een enorme rij bij de klantenservice. No way dat ik daarachter aansluit.

Waar is de snelste weg naar de uitgang? Buiten schijnt de zon. Waarom had ik ook alweer een jas aan? En een sjaal? Het touw van de lattenbodem snijdt in mijn vingers en knelt mijn bloedtoevoer af. Met het zweet op mijn bovenlip bereik ik mijn auto. Ik gooi de spullen in de auto en trek jas en sjaal uit. Waarom heb ik nou geen drinken meegenomen? Ik vis een dropje uit mijn tas die smaakt alsof die daar al heel lang heeft gelegen.

Fijn, ook hier staat een rij, met auto’s dit keer, om naar de weg te kunnen komen. Waarom worden mensen daar zo asociaal van? Niemand laat je er tussen. Ik zet mijn divabril op en gooi hem ertussen. Ritsen heet dat. Ik laat netjes een andere auto voorgaan en we scheuren allebei naar de snelweg. Gelukkig heb ik nog een half uur de tijd om weer een beetje bij te komen van het leed dat koopzondag heet. Je kunt niet mét en niet zonder. Uiteindelijk omarmt de rust van Poederoijen me. Zo slecht is het hier nog niet!

 

0

Er zijn nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *